Gedichten enzo

Gedichten, liedjes, verhaaltjes, noem maar op...
Kortom, je kans om snel beroemd te worden!
Je kan hier niet anoniem posten.
Gebruikersavatar
Arrogant&Dom
Best kansloos...
Berichten: 1674
Lid geworden op: 04-05-09 01:07
Locatie: Amsterdam

Re: Gedichten enzo

Bericht door Arrogant&Dom » 05-05-09 16:22

Lucebert, van de afgrond en de luchtmens, 1953.

visser van ma yuan

onder wolken vogels varen
onder golven vliegen vissen
maar daartussen rust de visser

golven worden hoge wolken
wolken worden hoge golven
maar intussen rust de visser.

God, I Love Lucebert.
"Burgundy makes you think of silly things: Bordeaux makes you talk about them, and Champagne makes you do them."
Jean-Anthelme Brillat-Savarin

Gebruikersavatar
Arie
Postmaniak
Berichten: 18457
Lid geworden op: 12-09-03 16:24
Locatie: Rotterdam
Geslacht:

Re: Gedichten enzo

Bericht door Arie » 05-05-09 19:13

I.L. Pfeiffer - Je bent het einde

Je bent de dichter, ik gedicht
Je bent het donker, ik het licht
Je bent de plus, ik ben de min
en jij bent yang en ik ben yin

Je bent het einde, ik begin
Ik wil dansen
op zelverzonnen liedjes in de nacht

Je bent het dak, ik ben de mus
je bent de zweer, ik ben het pus
je bent de grap en ik lach niet
je bent verleden, ik verschiet

Je bent het einde, ik begin
Ik wil huilen
Bij zelfverzonnen liedjes in de nacht.
Ik ga! De wereld wacht.
Jahoo! De morgen na vanacht.

Je bent de macho, ik het wicht
je bent de gek, ik het gesticht
je bent de klootzak, ik de jeuk
ik doe je pijn, dat vind ik leuk

je bent de vuist, ik ben de kin
je bent de vijand, maar ik win

je bent het einde, ik begin
je bent het einde, maar ik win

Gebruikersavatar
still-breathing
Postmaniak
Berichten: 19358
Lid geworden op: 24-07-03 11:34
Locatie: Utrecht

Re: Gedichten enzo

Bericht door still-breathing » 07-05-09 12:42

Lilian schreef:I.L. Pfeiffer - Je bent het einde

Je bent de dichter, ik gedicht
Je bent het donker, ik het licht
Je bent de plus, ik ben de min
en jij bent yang en ik ben yin

Je bent het einde, ik begin
Ik wil dansen
op zelverzonnen liedjes in de nacht

Je bent het dak, ik ben de mus
je bent de zweer, ik ben het pus
je bent de grap en ik lach niet
je bent verleden, ik verschiet

Je bent het einde, ik begin
Ik wil huilen
Bij zelfverzonnen liedjes in de nacht.
Ik ga! De wereld wacht.
Jahoo! De morgen na vanacht.

Je bent de macho, ik het wicht
je bent de gek, ik het gesticht
je bent de klootzak, ik de jeuk
ik doe je pijn, dat vind ik leuk

je bent de vuist, ik ben de kin
je bent de vijand, maar ik win

je bent het einde, ik begin
je bent het einde, maar ik win
Is dat van Ellen ten Damme? Het eerste couplet komt me bekend voor. Volgens mij zong ze dit dinsdag.
If Pacman had affected us as kids
we'd be running around in dark rooms,
munching pills and listening to
repetitive music...

-
Noem me maar gewoon Kirsten.

Gebruikersavatar
Steph
Postmaniak
Berichten: 9205
Lid geworden op: 04-11-04 19:38
Locatie: Rotterdam

Re: Gedichten enzo

Bericht door Steph » 07-05-09 14:29

Het gedicht dat Nico Dijkshoorn vrijdag 1 mei voorlas in DWDD

APELDOORN

de dag
begon zo mooi
maxima en haar
hoedje
een platte zwarte kraai
in doodsangst
tegen de zijkant van
haar hoofd gevlogen
ja ik had er
zin in
het jaarlijks feestje voor
koekhappend nederland
de dag
begon zo mooi
met dat heerlijke
als suddervlees
belletje voor belletje
in de jus
voortkabbelende
deskundige commentaar
van de nieuwe maartje van wegen
ja
apeldoorn
maakt zo vroeg op de ochtend
veel in mij los
weer zie ik
het zwarte herfstblad
op de zijkant van
maxima’s hoofd
en denk
je bent huisdichter of niet
zij is een illustratie
bij het gedicht
the raven
van edgar allan poe
dat denk ik als
de zwarte dood
het beeld binnenraast
en ik zeg
in een opwelling
tot mijn schrik
"kuifje!"
zo rijden auto’s
in de strip
kuifje
in kuifje
rijdt kuifje
afrikanen omver
die enkele ogenblikken later gelukkig
even aan het hoofd krabbelend
weer opstaan
ook nu ontsnapt
als in een stripverhaal
een agent op een fietsje
maar het bevrijdende moment
blijft nu uit
het wordt maar geen stripverhaal
en heel even voel ik
het moment
de opengesperde monden
de doodsangst
het niet willen begrijpen
het verlangen naar het
onmogelijke
dat de bestuurder zo uit zal stappen
zal zwaaien met zijn cowboyhoed
en dat de op straat liggende mensen
net als bij een rampenoefening
glimlachend op zullen staan
maar ze staan niet op
ik hoor het
aan het commentaar
het gaat over
lakens
in plaats van tobbedansen
het gaat over
explosieven
in plaats van
vuurwerk

een dag later
lees ik lamgeslagen
de volkskrant
die al in de tweede alinea
meldt
dat het om een autochtone dader gaat
gelukkig mensen
goed nieuws
hij is wit
en alles wijst er op
nog beter nieuws
hij was ook nog gek
de gebruikelijke
deskundigen griep
kruipt langzaam
onder mijn huid
ik lees de gesprekken met
de buren van de dader
hij was heel erg op zichzelf
hij maakte nooit eens contact
hij keek je op een bepaalde manier aan
hij betaalde keurig zijn huur
hij droeg zijn haar af en toe kort
kortom
iemand als ik
we lezen het wel
morgen
dat hij zijn schoenen liet verzolen
en dan heel
ongeduldig was
maar ik wil niets weten
van deze man
wil hem niet voor me zien
in een kroeg
lachend
ik wil maar
1 ding weten
hoe
gaat het
met het meisje
in de blauwe jurk
blauw
niet oranje
zoals mamma ‘s ochtends
had aangeraden
nee
blauw
wat zo mooi staat
bij haar rode haar
ik wil niet weten
wat zij dacht
ik wil niet weten
wat haar zusje dacht
ik
wil
weten
meisje
met je blauwe jurk
of je nog durft te leven
of je ooit nog
iets vrolijks aan durft te doen
ik zou zeggen
denk maar aan de koningin
die doet ook vaak iets
waar ze geen zin in heeft
je kunt haar
altijd bellen
want ze is heel lief
en ze zal je herkennen
ook met een ander jurkje aan
want zo is onze koningin
daar ben ik sinds gisteren
van overtuigd


Waarschijnlijk hebben meerdere mensen hier het hem zien voorlezen op DWDD.
En oa ik had toch even tranen in mijn ogen bij het laatste over 'onze koningin'.
Van trots eigenlijk, dat wij inderdaad zo'n lieve meelevende koningin hebben :)
She's talkin to the trees again.

Miss TM2007.

Gebruikersavatar
Monster
Postmaniak
Berichten: 14545
Lid geworden op: 14-07-08 16:55
Locatie: Amersfoort

Re: Gedichten enzo

Bericht door Monster » 07-05-09 15:50

Ja, ik heb het ook gezien. Ik vind vooral het stukje van het meisje met de blauwe jurk echt heel erg mooi. Kippenvel mooi. Verder vind ik het een mooiere tekst als hij het voorleest, maar dat komt ook door zijn bijzondere stem haha.
De grootste draak die er bestaat.

Gebruikersavatar
Arie
Postmaniak
Berichten: 18457
Lid geworden op: 12-09-03 16:24
Locatie: Rotterdam
Geslacht:

Re: Gedichten enzo

Bericht door Arie » 07-05-09 21:33

still-breathing schreef:
Lilian schreef:I.L. Pfeiffer - Je bent het einde

Je bent de dichter, ik gedicht
Je bent het donker, ik het licht
Je bent de plus, ik ben de min
en jij bent yang en ik ben yin

Je bent het einde, ik begin
Ik wil dansen
op zelverzonnen liedjes in de nacht

Je bent het dak, ik ben de mus
je bent de zweer, ik ben het pus
je bent de grap en ik lach niet
je bent verleden, ik verschiet

Je bent het einde, ik begin
Ik wil huilen
Bij zelfverzonnen liedjes in de nacht.
Ik ga! De wereld wacht.
Jahoo! De morgen na vanacht.

Je bent de macho, ik het wicht
je bent de gek, ik het gesticht
je bent de klootzak, ik de jeuk
ik doe je pijn, dat vind ik leuk

je bent de vuist, ik ben de kin
je bent de vijand, maar ik win

je bent het einde, ik begin
je bent het einde, maar ik win
Is dat van Ellen ten Damme? Het eerste couplet komt me bekend voor. Volgens mij zong ze dit dinsdag.
Nee, van I.L. Pfeiffer. Maar Ellen ten Damme heeft er inderdaad een liedje van gemaakt ;)

Gebruikersavatar
Pien
Postmaniak
Berichten: 7147
Lid geworden op: 09-07-05 20:48

Re: Gedichten enzo

Bericht door Pien » 03-04-10 11:47

Ik wil hier graag een gedicht neerzetten van Martinus Nijhoff. Mijn leraar Nederlands die schoof 'm laatst eens onder mijn neus en zei dat ik dit eens moest lezen. Dat ie dacht dat ik dit wel mooi vond. Ik vind het een geweldig gedicht. Ik kan er helemaal in verdwalen.
We hebben dit gedicht naderhand behandeld in de klas en dat vond ik best wel zonde, maar goed, dat wil ik van me af zetten en zo lees ik nu het gedicht gewoon weer zoals ik het voor de eerste keer lees. Gewoon... Zonder er al te veel over na te denken genieten van de mooie zinnen van Awater.

Ik zoek een reisgenoot.

Wees hier aanwezig, allereerste geest,
die over wateren van aanvang zweeft.
Uw goede oog moet zich dit werk toe keren,
het is gelijk de wereld woest en leeg.
Men wil niet, als geheel een vorige eeuw,
puinhopen zien en zingen van mooi weer,
want zingen is slechts hartstocht van een zweer
en nimmer is, wat ook, ooit puin geweest.
Een eerste steen ligt nauwelijks terneer.
Elk woord vernieuwt de stilte die het breekt.
Al wat geschiedt geschiedt nog voor het eerst.
Geprezen! Noach bouwt, maar geen ark meer,
En Jonas preekt, maar niet te Ninive.

Ik heb een man gezien. Hij heeft geen naam.
Geef hem ons aller vóórnaam bij elkaar.
Hij is de zoon van een vrouw en een vader.
Zodra de rode zon is opgegaan
gaat hij de stad in. Hij komt langs mijn raam.
De avond blauwt, hij komt er weer vandaan.
Hij werkt op een kantoor, heet daar Awater.
Zie hem. Hij is bekleed met kemelhaar
geregen door een naald. Zijn lijf is mager
gespijsd met wilde honing en sprinkhanen.
Niemand heeft ooit hetgeen hij roept verstaan.
Het is woestijn waar hij gebaren maakt.
Hij heeft iets van een monnik, een soldaat,
maar er wordt niet gebeden, niet geblazen,
wanneer men op kantoor het boek opslaat.
Men zit als in een tempel aan een tafel.
Men schrijft Arabisch schrift met Italiaans.
In cijfers, dwarrelend als as omlaag,
rijzen kolommen van orakeltaal.
Het wordt stil, het wordt warmer in de zaal.
Steeds zilter waait dun ratelend metaal.
De schrijfmachine mijmert gekkepraat.
Lees maar, er staat niet wat er staat. Er staat:
'O moeder, nooit zult gij de bontjas dragen
waarvoor elk dubbeltje werd omgedraaid,
en niet meer ga ik op mijn vrije dagen
met een paar bloemen naar het hospitaal,
maar breng de rozen naar de Kerkhoflaan...'
Dit staat er, en Awater's strak gelaat
geeft roerloos zijn ontroering te verstaan.
Hoe laat is het? Awater's hoofd voelt zwaar.
De telefoon slaapt op de lessenaar.
De theekopjes worden teruggehaald.
De klok tikt, tikt, slaat, tikt tot half-zes slaat.
De groene lampen worden uitgedraaid.

Vandaag, toen ik voor 't raam de bloemen goot,
is het voornemen in mij opgekomen
Awater te gaan halen van kantoor.
Ik heb sinds mijn broer stierf geen reisgenoot.
Als men een vriend zoekt, is het doodgewoon
dat men eerst ziet of men bij hem kan horen.
Vanavond volg ik dus Awater's spoor,
ik kijk de kat, zo men zegt, uit de boom,
en morgen, gaat het goed, stel ik mij voor.
Zo sta ik bij de hoge stoep. Ik schroom.
Het slaat half-zes. De tijd wordt eindeloos.
De straat wordt door voorbijgangers doorstroomd.
In elke schaduw wordt een licht ontstoken,
makend, al dwalend, omtrekken in rook.
O broeder in den hemel, wees hier ook.
Bescherm mij, dat mijn schim geen licht vertoont.
Bewaar mij ongezien en ongehoord. -
Opeens Awater. Van een overloop
zie ik hem komen, knipperend met 't oog.
Geen sterveling, geen stad, geen avondrood
bestaat voor hem. Hij komt gesneld van boven,
zandstenen trappen af langs slangen koper.
Hij ziet, schijnt het, een horizon, een zoom
waaruit ononderbroken weerlicht gloort.
Het is alsof hij hoort waarvan hij droomt
en de plek ziet waar hij te vinden hoopt,
zo snelt hij langs me, en ik voel mij doorboord.
Hij loopt haastig de vestibule door.
Hij hangt een sleutel op het sleutelboord.
Een droge distel doet zich aan hem voor,
hij grijpt zijn stok, hij wandelt fluitend voort.
Hij dekt zich, ik echter ontbloot het hoofd:
Wees hier, nogmaals, gij die op hoogten woont
zo onbewoonbaar als Calvario.

De straten zijn met asfalt geplaveid.
Ik merk dat de echo, die mij uitgeleide
deed door de hall met tegels, buiten zwijgt.
De stad verleent de voet geluidloosheid.
Een rij auto's glijdt karavaansgewijs
met zacht gekraak van leer aan ons voorbij.
Awater is mij reeds vooruitgeijld.
Ja, ja, 't schijnt waar te zijn, hij wil op reis.
Hij staat stil voor het modemagazijn.
Ik zie dat hij naar een gezelschap kijkt
van poppen die met plaids en verrekijkers
legeren aan de oever van de Nijl
gelijk uit pyramide en palmboom blijkt.
O Awater, ik weet waarvan gij peinst,
iets verder, bij de plaat der scheepvaartlijn
waarop een Bedouïn in de woestijn
een schip begroet dat over zee verschijnt,
en, weer iets verder, bij het bankpaleis
waar 'vreemd geld' genoteerd staat in de lijst.
Zo gaan wij samen langs de winkelschijnsels.
Eensklaps is hij verdwenen in een zijstraat.
Een deurbel klinkt. Daar moet hij binnen zijn.
Er staat geschreven: scheren en haarsnijden.
Het klein vertrek met kasten aan weerszij
lijkt door de sterke geur van allerlei
parfumerie-artikelen nog kleiner.
Awater - ik moet zeggen, ik ben blij
dat ik hem zie, ik was hem bijna kwijt, -
zit in een mantel van gesteven lijnwaad
voor de wastafel van wit porcelein.
De kapper doet zijn werk, en ik zet mij
als wie zijn beurt wacht, op een stoel terzijde.
Nooit zag ik Awater zo van nabij
als thans, via de spiegel; nooit scheen hij
zo nimmer te bereiken tegelijk.
Tussen de flessen, glinsterend verbrijzeld,
verrijst hij in de spiegel als een ijsberg
waarlangs de gladde schaar zijn snavel strijkt.
Maar het wordt lente, en terwijl wijd en zijd
de damp hangt van een bui die overdrijft
ploegt door het woelend haar de kam de scheiding.
Dan neemt Awater van de kapper afscheid
en ik volg hem op straat, werktuigelijk.

Het toeval neemt een binnenweg naar 't doel.
Moest het, dat Awater belanden moest
in het café waar ik kwam met mijn broer?
Het moest, en hij zit zelfs in onze hoek.
Ik zet mij ergens anders. Plaats genoeg.
De kelner kent me. Hij weet wat ik voel.
Hij heeft mijn tafeltje al tweemaal gepoetst.
Hij blijft, met in zijn hand de witte doek,
geruime tijd staan zwijgen naast mijn stoel.
'De tijden' zegt hij 'zijn niet meer als vroeger.'
Ik weet dat hij ook aan mijn broer denkt, hoe
met zijn hond aan de ketting en zijn hoed
iets achterover op, hij binnenwoei
en 't hele zaaltje vulde met rumoer.
Hier ligt hetzelfde zand nog op de vloer,
dezelfde duif koert in zijn kooi als toen.
Oei, zei de wind, voort, voort! Zo is het goed.
Wie is dat? zeg ik daar 'k iets zeggen moet.
En hij, wetend terstond op wien ik doel:
'Iemand die voor het eerst de zaak bezoekt.'
Dan trekt hij van 't buffet het hekje toe.
In 't water worden glazen omgespoeld. -
Wat is 't dat in zijn zak Awater zoekt?
Het is een boekje van marocco groen.
Het is een schaakspel nu hij 't opendoet.
Awater's ogen kijken koel en stroef.
Zijn hand, op tafel trommelend, schenkt moed
aan het visioen dat door zijn voorhoofd woelt.
Een sneeuwvlok dwarrelt tussen droppen bloed.
Het spel wordt tot een nieuw figuur gevoegd.
Zijn glas, vóór hem, beslaat onaangeroerd.
De cigaret die in de asbak gloeit
maakt een stokroos die langs 't plafond ontbloeit.
Hij zit volstrekt alleen en ongemoeid.
Hij heeft wat een planeet heeft en een bloem,
een innerlijke vaart die diep vervoert.
Nu drinkt hij het glas leeg en sluit het boek.
Hij krijgt, nu hij stil voor zich kijkt, iets droevigs.
Hij kijkt mijn kant uit, zodat ik vermoed
dat hij mij roept als hij de kelner roept.
Maar neen, hij rekent af, ik ook, en spoedig
gaan wij weer samen door het straatgewoel.

Elektrisch licht dat langs de gevel schiet
schrijft ieder ogenblik de naam opnieuw
van 't restaurant, en een dubbele file
mensen gaat in en uit langs de portier
die de toegang van draaiend glas bedient.
Terwijl wij binnentreden klinkt muziek.
Awater blijkt bekendheid te genieten.
Waar hij langs komt wordt naar hem omgezien.
'Wat?' zegt iemand 'kent u Awater niet?
Ik meen, hij is accountant of zo iets.
Ik ken hem, maar ik ken hem niet intiem.
Sommigen zeggen, 's avonds leest hij Grieks,
maar anderen beweren het is Iers.' -
Er is intussen iets zeer vreemds geschied.
Een heer die zich op 't podium verhief
zegt dat hij Awater zijn plaats aanbiedt.
'Ik spreek' zegt hij 'uit naam van allen hier.
Wij hebben tussen ons een groot artiest.'
Awater, met gebaren naar 't servies,
wil zeggen dat hij van de eer afziet
en liever had dat men hem eten liet.
In de biljardzaal staakt men een serie.
Het wordt doodstil. Boven schaart men nieuwsgierig
zich langs de balustrade der verdieping.
Het schroefblad van de ventilator wiekt.
Dan staat Awater op en zingt zijn lied:
- Steeds troostte ze, steeds heeft zij als ik sliep
mij met haar liefelijke komst bezield,
de aanbedene; thans kwam ze en heeft vernield
de laatste steun die mijn verlies zich schiep.
Zij was, toen 'k haar ontwaren ging, in diep
met schrik vermengd verdriet terneergeknield;
ik hoorde dat zij mij geloof voorhield
maar zonder dat het hoop of vreugde opriep:
'Herinnert ge u dien laatsten avond niet'
sprak ze 'toen ik uw tranen heb ontzien
en zonder meer de wereld achterliet?
Ik kon, noch wilde ik, melden u sindsdien
hetgeen ik thans u te verstaan gebied:
niet hopen mij op aarde ooit weer te zien.'
Awater zwijgt. Hij verstijft tot graniet.
Men applaudisseert, werpt met serpentines,
Awater, als een pop, als een pop die
te zwaar is voor zijn eigen mechaniek,
waggelt den uitgang toe dwars door 't publiek.
Er wappert nog een smalle strook papier
hem langs de rug. Ik volg hem op de hielen.

Ik zorg - want het is stil en de straat nauw -
gelijke tred met Awater te houden.
Zo hoort hij niet dat iemand hem bijhoudt.
Mijn bezorgdheden worden menigvoud:
er ligt post thuis, ik heb aan de werkvrouw
nog niet gezegd dat ik op reis gaan zou,
mijn raam staat aan, er brandt vuur in de schouw,
ik heb niets bij me, wat doe ik überhaupt
op reis te gaan. - De vlieger aan zijn touw
tuimelt en stijgt: telkens slaat mijn benauwdheid
in vaster blijdschap om: wat zou 't, wat zou 't!
Zo voer ik, het hoofd diep gebogen houdend,
met mijzelf het beslissend onderhoud.
De straat wordt breder. Uit bomen druipt dauw.
Recht voor ons uit ligt het stationsgebouw.
Zou men hier middernacht een meeting houden?
't Is stampvol op het plein. Tussen flambouwen
staat op een ruw getimmerte van hout
in haar heils-uniform, een jonge vrouw.
Toeristen met rugzakken op de schouders,
kinderen, vrouwen, arbeiders, hun blauw
werkpak nog aan, staan onder de toeschouwers.
'Wij leven' zegt zij 'heel ons leven fout.'
Awater, die de pas heeft ingehouden,
kijkt naar mij om als kent hij mij van ouds.
Maar waar? in een tram? in een schouwburgpauze?
zo vraagt de blik waarmee hij mij beschouwt,
terwijl hij - want het waait - zijn hoed vasthoudt.
Wind, spelend met haar haar, legt langs de mouw
der heilsoldaat een losse knoop van goud.
'Liefde' zegt zij 'wordt nooit vergeefs vertrouwd.'
Awater blijft, ik loop door, en zo gauw
of ik de trein zag die ik halen wou.

De stoker werpt steenkolen op het vuur.
De machinist staat leunend uit te turen.
Buiten de kap, boven de rails-figuren
beginnen de signalen hun prelude.
De klok verspringt van minuut naar minuut.
Weer roept zij, de locomotief; voortdurend
roept zij, roepend dat het te lang reeds duurt.
Haar zuil van zuchten wordt een wolkenkluwen.
Maar denk niet, dat zij zich bekreunt om u,
de Oriënt Express; nog minder deelt ze uw jubel
als gij plaatsnamen ziet in een schriftuur
die de eerste klank is van het avontuur.
Zij kent in haar reisvaardigheid geen rücksicht.
Wat voor hoop gij ook koestert of wegduwt,
nogmaals, het deert haar niet; zelfs voor de illusie
een reisgenoot te hebben is ze immuun.
Dat gij, geheel alleen, u in haar luxe
beklemd voelt, 't raampje neerlaat, en zelfs nu
't perron nog afblikt; of dat gij het puurst
geluk smaakt dat voor het individu
is weggelegd: te weten, 'k werd bestuurd,
't is niet om niet geweest, ik was geen dupe, -
geprezen! - 't laat haar koud. Zij ziet azuur.
Van schakels is haar klinkende ceintuur.
Zij zingt, zij tilt een knie, door stoom omstuwd.
Zij vertrekt op het voorgeschreven uur.



Even he...... deze zin!! "Elk woord vernieuwt de stilte die het breekt." O+ O+ O+ O+
Van tegen de wind fietsen hou je wilde haren.

Plaats reactie

Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers en 3 gasten